Luid op spoor proef

Het oefenen voor de luid op spoorproef is niet voor iedereen even makkelijk. Tijdens deze proef moet de hond namelijk leren een vers spoor van een haas te ruiken en op reuk luid gevend te volgen zo ver als hij dit kan. Om dit te kunnen oefenen heb je dus een veld nodig waar hazen zitten en toestemming van de grondgebruiker om hierop te trainen. Let hierbij wel op de weidelijkheid tijdens het trainen. Het is natuurlijk niet wenselijk om op hazen te gaan trainen wanneer deze met jongen zitten. Een gezond haas zal niet snel worden ingehaald door een teckel maar een jong dier heeft wellicht minder kans.

Indien u dus beschikt over een veld met hazen en toestemming van de grondgebruiker dan kunt u hiervoor gaan trainen. Probeer een haas op te doen welke in het veld ligt. Let wel op dat de hond het haas niet ziet wanneer deze op gaat en wegrent. Wacht tot het haas duidelijk uitzicht is verdwenen. Zet vervolgens de hond in op het spoor van het haas. Belangrijk is om de hond niet in te zetten in de pot, het kuiltje waar het haas lag, maar net iets verder omdat anders de hond te lang bij de pot blijft hangen. Wanneer dit gebeurd heeft de hond wel eens meer moeite om het spoor op te pakken. Hou de hond nog even aan de lijn terwijl jij hem op het spoor zet en zodra hij duidelijk van het touw wil laat hem dan los. Als het goed is begint de hond nu van nature luid te geven terwijl hij het spoor van het haas volgt.

Bij het trainen op deze manier moet wel de veiligheid in acht genomen worden. Het heeft dan ook de voorkeur om dit niet bij drukke wegen te doen waarbij hazen wegen over steken. Een goed volgende teckel zal dan namelijk ook de weg oversteken met alle gevolgen van dien. Hoe sneller het spoor wordt opgepakt, hoe langer een hond luid geeft en hoe verder een hond het spoor volgt hoe beter.

Reglement Luid op spoorproef

Artikel II.C.1
DOEL

Het doel van de luid op spoor proef is het vaststellen van de mate van aanleg van de deelnemende
honden voor luid jagen.

Artikel II.C.2
TOELATINGSEISEN

Om aan deze test te mogen deelnemen moet de hond de aantekening Sv (zie Artikel II.A.7) of een
overeenkomstige buitenlandse aantekening hebben behaald.

Noot:

Indien een hond jonger is dan negen maanden en derhalve de aantekening Sv niet kan hebben behaald,
mag hij aan deze proef deelnemen op voorwaarde dat de keurmeesters onmiddellijk voorafgaande aan de
proef hebben vastgesteld dat die hond niet schotschuw of te schotgevoelig is.

Artikel II.C.3
KEURMEESTERS

1. De proef wordt beoordeeld door drie keurmeesters.
2. Aan één keurmeestersteam mogen maximaal vijftien honden ter beoordeling worden toegewezen.

Artikel II.C.4
DE INRICHTING VAN DE PROEF

1. De proef wordt afgelegd in een overzichtelijk jachtveld, dat voldoende met haas is bezet.
2. Keurmeesters en helpers gaan in linie door het veld, op enige afstand gevolgd door de aangewezen
deelnemers met hun honden.
3. Zodra een haas ruimt blijft de linie staan en roept één der keurmeesters een voorjager met zijn hond ter
beoordeling op.
4. De voorjagers zijn er bij het volgen van de linie voor verantwoordelijk dat hun honden het ruimen van
een haas niet kunnen zien.
5. Een hond die het ruimen van een haas heeft gezien mag op het spoor van dat haas niet werken.

Artikel II.C.5
DE WERKWIJZE

1. De hond moet los worden voorgejaagd.
2. Nadat een haas is geruimd en buiten zicht is verdwenen wijst een der keurmeesters de voorjager de
vluchtrichting van het haas aan en, globaal, de plaats waar het haas is opgekomen.
3. Op aanwijzing van de keurmeesters wordt de hond in de naaste omgeving van het spoor aangezet.
4. De hond moet het spoor zelfstandig vinden, opnemen en luid volgen.
5. Luid geven terwijl de hond niet op een spoor werkt, is een ernstige fout. Honden, die deze fout tijdens
één loop maken kunnen op grond van de prestaties tijdens die beurt niet worden gekwalificeerd. Indien
deze fout bij een hond tijdens twee lopen wordt vastgesteld leidt dit tot uitsluiting. Bij twijfel is de jury
bevoegd een en ander nader te testen.
6. Honden, die op grond van hun prestaties tijdens de eerste loop niet in aanmerking komen voor een
kwalificatie “U” / “I”, krijgen, zo enigszins mogelijk, een tweede loop. De volgorde bij deze loop is: eerst
de honden, die op grond van hun eerste loop niet voor een kwalificatie in aanmerking zouden komen;
vervolgens de honden, die op grond van hun eerste loop in aanmerking zouden komen voor de
kwalificatie “G” / “III” en daarna de honden, die op grond van hun eerste loop in aanmerking zouden
komen voor de kwalificatie “ZG”/ “II”.
7. Aan honden, die op grond van hun prestaties tijdens de tweede loop niet in aanmerking komen voor
een kwalificatie “U” / “I”, mag de jury, in de volgorde analoog aan het onder het zesde lid bepaalde, een
derde loop geven.
8. Ongeacht het aantal lopen tellen in beginsel uitsluitend de prestaties, geleverd in de beste loop met
dien verstande dat het waarderingscijfer “4” voor het onderdeel “LUIDGEVEN” niet mag worden
toegekend indien de hond uitsluitend tijdens de derde loop heeft luidgegeven.

Artikel II.C.6
DE BEOORDELING

1. Deze proef wordt beoordeeld op onderdelen.
De onderdelen zijn:
• NEUSGEBRUIK • LUIDGEVEN • SPOORWIL • SPOORVASTHEID
2. Aan elk onderdeel wordt een vermenigvuldigingsfactor toegekend.
3. Elk onderdeel wordt gewaardeerd met een cijfer.
De betekenis van de cijfers is:
0 = onvoldoende
1 = matig
2 = voldoende
3 = goed
4 = zeer goed
4. Bij het onderdeel “NEUSGEBRUIK” wordt beoordeeld: de wijze, waarop de hond zijn neus gebruikt bij
het zoeken naar het spoor, het werken op het spoor en in voorkomend geval bij terugzoeken van het
verloren spoor.

Noot:

Het waarderingscijfer “4” mag voor dit onderdeel worden toegekend indien de hond het spoor snel vindt
en het over lange afstand niet verliest of zich bij verlies snel herstelt.
5. Bij het onderdeel “LUIDGEVEN” wordt beoordeeld: het tijdstip van luid worden en de mate van luid zijn
en uitdrukkelijk niet de klankkleur.

Noot:

Het waarderingscijfer “4” mag voor dit onderdeel worden toegekend indien de hond stom is zolang hij
het spoor niet heeft gevonden of niet (meer) op het spoor werkt, onmiddellijk luid wordt zodra hij het
spoor (terug)vindt en aanhoudend luid blijft zolang hij op het spoor werkt.
6. Bij het onderdeel “SPOORWIL” wordt beoordeeld: de mate van ijver en intentie waarmee op het spoor
wordt gewerkt en in voorkomend geval het spoor wordt teruggezocht.
7. Bij het onderdeel “SPOORVASTHEID” wordt beoordeeld: de mate van zekerheid en zorgvuldigheid,
waarmee het spoor wordt uitgewerkt.

Artikel II.C.7
KWALIFICATIES

1. Zie A.V.R. hoofdstuk VIII.
2. Bij deze proef worden kwalificaties toegekend teneinde aan te geven in welke mate de deelnemende
honden aan het gestelde ideaal hebben voldaan; er worden geen werkkampioenschapsprijzen
toegekend.
3. Voor de kwalificaties wordt voorts verwezen naar onderstaande tabel:

Onderdeel Factor Minimaal waarderingscijfer

U I ZG II G III
Neusgebruik 10 4 3 2
Luidgeven 9 4 3 2
Spoorwil 3 3 2 2
Spoorvastheid 3 3 2 1

Artikel II.C.8

AANTEKENINGEN

1. Honden, waaraan de kwalificatie “U” / “I” is toegekend verwerven de aantekening SPOORLUID 1 = Sp
1.
Honden, waaraan de kwalificatie “ZG” / “II” is toegekend verwerven de aantekening SPOORLUID 2 = Sp 2.
Honden, waaraan de kwalificatie “G” / “III” is toegekend verwerven de aantekening SPOORLUID 3 = Sp 3.
2. Uitsluitend dashonden, die deze proef met goed gevolg hebben afgelegd verwerven, ongeacht de
toekende kwalificatie, bovendien de aantekening: SPURLAUT = Sp. of, indien de hond op de dag van
de proef jonger is dan 16 maanden: SPURLAUT JUGEND = Sp/J.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *